19-12-2024
Kansengelijkheid voor eerstegeneratiestudenten
In dit onderzoek hebben we ontdekt dat kansengelijkheid voor eerstegeneratiestudenten op meerdere manieren onder druk staat. Ten eerste: eerstegeneratiestudenten hebben ongelijke ontwikkelkansen en halen minder vaak hun diploma. Onze kwantitatieve analyse toont aan dat deze studenten een significant hogere kans hebben op uitval en switch, wat hun kansen om een diploma te halen negatief beïnvloedt. De ongelijke ontwikkelkansen van eerstegeneratiestudenten kunnen worden verklaard door twee centrale factoren: ze hebben last van vooroordelen en onbedoelde negatieve effecten in toetsing en het onderwijssysteem, en ze doen aan onnodige zelfselectie. Dit laatste komt doordat eerstegeneratiestudenten zich veelal minder thuis voelen op de hogeschool of universiteit en ze minder vertrouwen in hun eigen bekwaamheid ten opzichte van hun medestudenten hebben.
Twee belangrijke nuances dienen hier te worden benadrukt. Allereerst zijn er groepen studenten die in vergelijking met eerstegeneratiestudenten een nog hogere kans hebben om uit te vallen of te switchen en dus zeker ook aandacht verdienen, namelijk hbo-studenten, bachelorstudenten, mannelijke studenten, studenten met een lager gezinskomen en studenten met een migratieachtergrond. Ten tweede spelen hier intersectionele effecten, wat inhoudt dat binnen de groep eerstegeneratiestudenten sommige groepen nog sterker kansenongelijkheid ervaren. Met name eerstegeneratiestudenten met een migratieachtergrond en oudere eerstegeneratiestudenten ervaren sterkere kansenongelijkheid dan andere eerstegeneratiestudenten. Zij hebben een relatief sterke kans op uitval én switch en worden dus relatief sterk geraakt door de oorzaken van kansenongelijkheid. Eerstegeneratiestudenten in het wo en stapelende eerstegeneratiestudenten hebben ook een relatief hoge kans op uitval, maar niet op switch. Desalniettemin impliceert dit dat de oorzaken van kansenongelijkheid voor eerstegeneratiestudenten sterker spelen in het wo.
Ten tweede: eerstegeneratiestudenten hebben ongelijke selectiekansen en maken dus minder kans om überhaupt de hogeschool of universiteit te bereiken. In onze analyse van literatuur en interviews zien we dat vooroordelen en onbedoelde negatieve effecten in toetsing en selectie het voor eerstegeneratiestudenten moeilijker maakt om geselecteerd te worden voor de hogeschool of universiteit. Hiervan levert onze kwantitatieve analyse deels bevestiging. We zien dat het afschaffen van numerus fixus de kans dat eerstegeneratiestudenten instromen mogelijk iets vergroot, al is het bewijs hiervoor in dit onderzoek beperkt.
Ten derde: eerstegeneratiestudenten ervaren ongelijke maatschappelijke kansen. Uit onze analyse van literatuur en interviews blijkt dat eerstegeneratiestudenten die wel een diploma halen vaak beperkt studiesucces en lager studentsucces ervaren. Deze studenten zijn meer geneigd tot zelfselectie, wat betekent dat zij minder vaak deelnemen aan extracurriculaire activiteiten die hun persoonlijke ontwikkeling en latere maatschappelijke ontplooiing kunnen ondersteunen. Deze zelfselectie is vaak het gevolg van de hoge druk die eerstegeneratiestudenten ervaren om hun diploma binnen de nominale tijd te behalen. Dit kan hun toekomstige maatschappelijke kansen beperken aangezien dergelijke extracurriculaire activiteiten steeds meer gewaardeerd en gevraagd worden op de arbeidsmarkt. Bovendien kunnen deze activiteiten ook bijdragen aan het opbouwen van sociaal en cultureel kapitaal, betrokkenheid bij het onderwijs en academisch succes.
Om dit relevante maatschappelijke probleem op te lossen doen wij een aantal aanbevelingen:
- Een beleid uitsluitend gericht op eerstegeneratiestudenten lijkt op basis van onze data onvoldoende effectief, gezien de aanwezigheid van andere groepen studenten die een grotere kans op uitval, switch of lange studieduur hebben.
- Uit interviews met experts blijkt dat instellingen de meeste invloed kunnen uitoefenen op kansenongelijkheid door sociale processen op de campus te versterken, zoals het bevorderen van het gevoel van thuishoren (sense of belonging) en het verminderen van prestatiedruk.
- De overgang van de middelbare school naar het hbo/wo vormt hierbij de grootste uitdaging. Bestaande interventies, zoals startprogramma’s om systeem-en structuurkennis te vergroten en beurzen, kunnen kansengelijkheid bevorderen.
- Het monitoren van eerstegeneratiestudenten voor specifieke interventies lijkt meer na- dan voordelen te hebben.
- Daarnaast geven de experts aan dat het nodig is om kansenongelijkheid eerder in de onderwijsketen aan te pakken.
Eerstegeneratiestudenten hebben minder kans op een diploma vanwege hun achtergrond. Dit is niet alleen voor de student heel vervelend, maar heeft ook maatschappelijke gevolgen.


