In april heeft de Minister in een Kamerbrief een reactie gegeven op de evaluatie.
De commissie is positief over: • het imago, de positie binnen het kennislandschap en het algemeen functioneren van het instituut; • de zichtbaarheid in het publieke debat en het vermogen om boven de partijen uit te stijgen; • de kwaliteit van het (onderzoeks)werk en de informatiefunctie voor het wetenschapssysteem.
Een punt van discussie blijft de ophanging van het instituut. Tot nu toe valt het Rathenau Instituut, als aan apart onderdeel, onder de KNAW. Het is echter geen regulier wetenschappelijk instituut, zoals de andere KNAW-instituten. Het is daardoor ook niet op dezelfde manier te beoordelen (en aan te sturen) als de andere instituten. De commissie merkt op dat het Rathenau Instituut daardoor niet beoordeeld kan worden op strikte academische criteria. De Minister verzoekt daarom het instituut om met haar buitenlandse zusterinstituten te bezien of er een protocol opgesteld kan worden ten behoeve van toekomstige evaluaties en dat te laten toetsen door een aantal academies van wetenschappen.
Ter vergelijk: het aantal publicaties van Rathenau, ITA (Oostenrijk), SCP en Dialogic.

De commissie merkt op dat de huidige inbedding binnen de KNAW herzien dient te worden. Als beste oplossing stelt de commissie voor om de huidige organisatorische en administratieve ophanging onder de KNAW te handhaven, maar deze niet meer onder de juridische verantwoordelijkheid van de KNAW te laten vallen. De Minister geeft aan het signaal van de commissie serieus te nemen. Samen met de KNAW en het Rathenau Instituut gaat ze nu een verkenning uitvoeren naar de positie van het Rathenau Instituut als onafhankelijk instituut binnen de KNAW.


