Het Ministerie van SZW heeft Dialogic en Oberon gevraagd om de TTKO, TTKZO, gemeentelijke regelingen en de noodopvang te evalueren. Hierbij gaat het om uitvoering, doelmatigheid, doeltreffendheid en het bereik. Om invulling te geven aan de evaluatie is gebruikt gemaakt van enquêtes onder ouders/verzorgers (n=977), kinderopvangorganisaties (n=399) en gemeenten (n=13), interviews (n=26), literatuurstudie, focusgroepen (n=3) en een internationale vergelijking.
Uit de evaluatie blijkt dat de kinderopvang sector stabiel en overeind is gebleven tijdens en na de coronaperiode. Zonder deze regelingen was een flink deel van de ondernemingen in deze sector failliet gegaan of in (zeer) grote financiële problemen gekomen. Daarnaast heeft een merendeel van de ouders/verzorgers na de lockdowns hun plek kunnen behouden op de kinderopvang. Een verklaring voor de hoge doeltreffendheid van de regelingen is het grote belang dat we als samenleving hechten aan deze sector. Dit zorgde ervoor dat er veel intrinsieke motivatie was bij alle betrokken partijen om de kinderopvang overeind te houden. Bij ouders/verzorgers werd deze motivatie alleen maar groter doordat ze volledig of voor een groot deel werden gecompenseerd voor het doorbetalen van de kinderopvang. Wel was het voor sommige kinderopvangorganisaties lastig om tijdens en na de lockdowns voldoende bezetting te houden op de groepen, door verscheidene externe effecten.
Ook de noodopvang heeft een positief effect gehad op de stabiliteit van de sector. Hierdoor konden de locaties operationeel blijven tijdens de lockdowns, waardoor regulier opstarten relatief eenvoudig was.
Het aanbod van de noodopvang was uitstekend. In bijna alle gemeente (98%) is noodopvang aangeboden. Een flink deel van de ouders/verzorgers met een cruciaal beroep heeft hun werk (goed) kunnen uitvoeren. Over het algemeen wordt de samenwerking tussen de VNG, GGH GHOR en SZW als zeer positief beoordeeld en werden er snel concrete afspraken gemaakt over de realisatie van veilige noodopvang. De communicatie over de noodopvang vanuit het Rijk naar ouders/verzorgers was voldoende om de boodschap over te brengen dat noodopvang beschikbaar was voor ouders/verzorgers met cruciale beroepen en kinderen in kwetsbare posities. Ook kinderopvangorganisaties zeggen voldoende geïnformeerd te zijn over de verwachtingen rondom het organiseren van noodopvang. Wel was er enige onzekerheid over wanneer nieuwe maatregelen in zouden gaan en in hoeverre de kinderopvang-organisaties de maatregelen op de juiste manier hadden geïnterpreteerd. Ook was het uitdagend voor de kinderopvangorganisaties om te besluiten over het wel of niet toelaten van kinderen op de noodopvang.
Een groot deel van de gezinnen (60-65%) had recht op noodopvang omdat er sprake was van een cruciaal beroep van minimaal één van de ouders. Deze rechthebbende wisten ook bijna allemaal dat zij gebruik konden maken van de noodopvang. In de eerste lockdown maakte 20% van deze rechthebbende gebruik van de noodopvang, en over tijd nam dat toe tot ongeveer de helft van de rechthebbende die gebruik maakte. De voornaamste redenen voor het beperkte gebruik van de noodopvang zijn (1) ouders/verzorgers hadden het niet nodig, omdat ze konden thuiswerken en (2) angst voor besmettingen op de kinderopvang. De afnemende angst voor besmettingen kan de groei in het gebruik mogelijk verklaren.
Voor de kinderopvangorganisaties was het een uitdaging om te bepalen wie wel en wie niet gebruik mocht maken van de noodopvang. Dat kwam deels doordat ze van ouders/verzorgers moesten horen of ze een cruciaal beroep hadden en lastig konden inschatten of dat daadwerkelijk zo was. Daarnaast veranderde de lijst met cruciale beroepen geregeld. Tot slot was het voor kinderopvangorganisaties lastig om streng op te treden richting ouders/verzorgers waarvan het vermoeden was dat zij eigenlijk geen cruciaal beroep hadden.
De gemeente en kinderopvangorganisatie bieden maatwerk voor kwetsbare kinderen in de kinderopvang. De noodopvang heeft duidelijk het risico op de verslechtering van de positie van kwetsbare kinderen verkleind, maar de omvang van het effect is lastig te bepalen omdat het onduidelijk is in welke mate kinderen met een kwetsbare positie daadwerkelijk zijn bereikt, maar er zijn positieve indicaties.
De neveneffecten die naar voren kwamen in de evaluatie is dat de kinderopvang in een positief daglicht kwam te staan door de noodopvang. Ze konden een belangrijke rol spelen voor ouders met een cruciaal beroep. Een negatief neveneffect is dat de mentale last van ouders/verzorgers zonder cruciaal beroep is vergroot door het moeten combineren van werk, zorg, gezin en onderwijstaken omdat ze waren uitgesloten van de noodopvang.
De doelmatigheid per regeling is terug te lezen in het rapport.
Aanbevelingen
De samenwerking binnen de kinderopvangsector was zeer goed en dat heeft bijgedragen tot het succesvol realiseren van deze maatregelen. Het is belangrijk om deze netwerken goed te onderhouden zodat dit later opnieuw kan worden ingezet.
De samenwerking met partijen buiten de sector, zoals ouders/verzorgers en scholen was heel complex. De verantwoordelijkheid voor communicatie en afstemming met ouders/verzorgers en scholen kwam in veel gevallen bij de kinderopvang te liggen. Deze communicatie en overlegstructuren bestonden vaak nog niet. Het is aan te raden om deze netwerken te verbeteren, afspraken te maken over verantwoordelijkheden en in te zetten op een meer integrale benadering voor kinderen. Een dergelijke benadering voor kinderen tijdens een crisis vereist een duidelijke afstemming over verantwoordelijkheden tussen het ministerie van SZW en het ministerie van OCW.
Daarnaast zijn geen gegevens bekend (zoals aantallen) over kwetsbare kinderen per gemeente. Het is aan te raden om meer data te verzamelen over deze doelgroep, zodat beleid voor deze doelgroep goed geëvalueerd kan worden.
Ook zijn een aantal neveneffecten te zien van de lockdowns op de fysieke en mentale gezondheid van kinderen, ouders/verzorgers en medewerkers van de kinderopvang, die in bijna alle interviews en enquêtes naar voren kwamen. Denk hierbij aan mentale druk door onzekerheden en de ‘wen’-periode voor kinderen na een opening of sluiting van de kinderopvang. Het is belangrijk om signalen die (vroeg) in een crisis naar boven komen over mogelijke neveneffecten serieus te nemen, te communiceren naar betrokken ministers en mee te nemen in de beleidskeuzes.
Het onderzoeksrapport is op 18 november aangeboden aan de Tweede Kamer.


